Ooit zie ik jullie terug

Gepubliceerd op 10 september 2026 om 16:42

Er zijn veel uitspraken die mensen ooit eens op papier hebben gezet, of in woorden hebben uitgedrukt. Denk hierbij aan 'Je krijgt nooit meer op je pad dan wat je aan kunt', 'Wat je niet doodt, maakt je sterker', of 'God geeft zijn zwaarste gevechten aan zijn sterkste soldaten', of de 'Never Broke a Bone-theorie', die erin gelooft dat wanneer je nog nooit een botbreuk hebt gehad, het betekent dat je zwaarste gevechten zich mentaal afspelen. 

Eerlijk is eerlijk. Als ik al deze theorieën ga reflecteren op mijn situatie, denk ik alleen maar het volgende.

1) Als ik dit aan kan, hoeveel krijg ik dan nog op mijn pad? Het is nu wel genoeg geweest.

2) Het doodt me misschien niet, maar hoe moet het verlies van drie dochters me sterker maken? Ik heb niet meer dan dit in mij.

3) Als er een God is, vraag ik me af hoe sterk ik in zijn ogen ben, en waarom ik dit dan op mijn pad krijg. Als ik echt zo sterk ben, mag ik daar dan niet een keer voor bedankt worden in de vorm van geluk?

4) Ik had liever al mijn 206 botten gebroken, dan dat ik dit mee had moeten maken. 

Vandaag heb ik namelijk mijn tweede uitvaart gehad in tien dagen tijd. In tien dagen tijd heb ik vaarwel moeten zeggen tegen twee dochters. Eentje heb ik op mijn borst gehad, en zij heeft daar enkel gelegen in de tijd dat ze leefde. Ik heb haar niet mogen leren kennen. Mijn jongste dochter heeft een week lang op de NICU gevochten, en ze had het karakter van een strijder, een dappere wel te verstaan. 

Na het verlies van Rosie, had ik nog hoop. Ik had nog hoop dat Lexie in mijn buik zou blijven, dat ik het nog even vol zou houden. Met elke dag die erbij kwam, had ik meer hoop op een goede afloop. Toen Lexie acht dagen na Rosie werd geboren, had ik nog altijd hoop. Hoop dat zij het door de tijd op de NICU heen zou komen. Dat ik haar groot zou mogen zien worden. Die hoop hielp me ook na het afscheid van Rosie. Want toen we eenmaal weer terug waren in het ziekenhuis, kon ik naar Lexie toe. Kon ik met haar knuffelen, met haar buidelen en tegen haar praten. Ik moest na het afscheid van Rosie meteen kolven, maar dat was voor Lexie. Dat was het allemaal meer dan waard, want zo kon ik er voor haar zijn en had ik nog iemand om op terug te vallen, omdat zij er nog was. 

Maar na vandaag kom ik thuis. Het mandje, waar Lexie in heeft gelegen, is na zes dagen daar te hebben gestaan weg. Het geluid van de koelplaat die ervoor zorgde dat we haar thuis konden houden, is weg. Het is stil. Het is leeg. Het voelt leeg. Het voelt niet meer zoals het thuis voelde voordat Rosie en Lexie geboren waren. Alles is hetzelfde. En dan had niet zo moeten zijn. Er had een box moeten staan, een kinderwagen, er hadden overal spuugdoekjes, hydrofiele doekjes en verpakkingen van luierdoekjes moeten liggen.

Maar nu ligt er niks. Er staan nog drie doosjes op de vensterbank, gevuld met hun spulletjes. Drie doosjes. Meer ga ik nooit hebben. Mijn meisjes, zijn nu niks meer dan herinneringen, en spullen die zich hebben verzameld in drie doosjes. Drie. Niet meer. 

En boven staat een kamer vol met spullen voor hen. De bedjes hadden we nog niet in elkaar gezet, maar de kinderwagen, de autostoeltjes, de kleding, alles staat daar. Die deur houd ik nog even dicht. Soms moet ik de kamer even binnen omdat ik wat van mijn eigen spullen daar in die kamer heb liggen, maar het doet zoveel pijn om het te zien. Ik had gewild dat ik die kamer op kon lopen om mijn meisjes wakker te maken, uit bed te halen, klaar te maken voor een nieuwe dag. En nu is het een kamer, geen babykamer. Een kamer. Niks meer dan dat. 

Ik had eigenlijk vier kinderkamers moeten hebben. Hailee, Aevee, Rosie, Lexie. Mijn vier meiden, hadden gewoon hier moeten zijn. Waarom heb ik nu dan maar een kamer nodig? Waarom heb ik ze niet allemaal nodig? 

Niemand kan ik de schuld geven. En omdat ik niks of niemand de schuld kan geven, leg ik hem bij mezelf neer. Onterecht of niet, het is het enige hoe ik het voor mezelf kan relativeren dat het mij overkomt. Het is mijn schuld, en het is pech. Maar pech is niemands schuld. En ik wil iemand, of iets de schuld geven. Bij Hailee's overlijden was het pech en mijn schuld. Dat de vacuümpomp kapot ging (wat niet had mogen gebeuren), is het enige wat ik de schuld kan geven. Maar ook dat, was gewoon pech. Dat ik ziek werd, zij een dubbele longontsteking had doordat ik langdurig gebroken vliezen had, domme pech. Ik had eerder aan de bel moeten trekken, denk ik dan, want ik merkte al een paar dagen eerder meer vochtverlies op, maar dacht er niks geks van. Ik had nee moeten zeggen tegen de vacuümpomp, want ik had altijd gezegd dat ik dat niet wilde, maar op het moment dat het erop aan kwam hield ik mijn mond, ook al was ik eigenlijk te ziek om ertegenin te gaan. 

En bij de tweeling geef ik mezelf de schuld van de vliesscheur bij Rosie. Het had ook gewoon pech kunnen zijn. Ik had vanaf het begin van de zwangerschap al last van bloedverlies, en fysiek had ik het zwaar. Maar toch. Ik had het rustiger aan moeten doen. Minder moeten tillen, minder snel moeten willen gaan. En toen de vliesscheur er was, had ik meer moeten liggen. Minder vaak op moeten staan, minder bewegen. Misschien had Rosie dan wat langer vruchtwater gehad. 

En met Lexie had ik ook meer rust moeten nemen. Ik heb voor haar gevochten, en ik heb echt m'n best gedaan. Maar het voelt alsof ik harder m'n best had moeten doen. Had ik iets kunnen doen om niet ziek te worden? Ik weet het niet, maar toch voelt het alsof ik iets verkeerd heb gedaan. En toen Lexie eenmaal geboren was, had ik er meer voor haar moeten zijn. Ik had dat ontbijt over moeten slaan, en meteen naar Lexie moeten gaan. Ik had die avond dat ze met Timon aan het buidelen was, niet in het bed een meter verderop moeten gaan liggen, maar naast hen moeten zitten. Ik had meer foto's moeten maken. Meer filmpjes. Ik had meer bij haar moeten zitten.

Rouw heeft vijf fases. Ontkenning, woede, onderhandelen, depressie, aanvaarding. Ik kan je een ding vertellen, als ik uit ervaring mag spreken. Aanvaarding, die komt er niet. Na Hailee's overlijden heb ik het nooit kunnen accepteren. Ik denk nog zo vaak aan hoe het zou moeten zijn, en dat het oneerlijk is dat ik haar niet groot mag zien worden. Ik ben er vrij zeker van dat ik haar verlies en gemis nooit ga kunnen accepteren. En nu, nu Rosie en Lexie niet meer hier zijn, voelt het des te meer alsof aanvaarding niet haalbaar is. Het is niet mogelijk om het verlies en het gemis van een kind 'natuurlijk' te laten voelen. Het afscheid wat ik van mijn moeder heb moeten nemen, dat heb ik kunnen aanvaarden. Een kind hoort zijn ouder te overleven, een ouder hoort geen kind te overleven. 

Ik vraag me af hoe die fases zich vorm gaan geven. Hoe die tot stand gaan komen, op welke termijn ik wat ga voelen. Ik zit momenteel nog vol in de ontkenning. En soms voel ik woede, maar ontkenning is het gevoel waar ik mee rondloop. Ik probeer een manier te vinden om dit niet echt te laten zijn. Dat ik droom, dat ik in een nachtmerrie zit, dat ik straks wakker word en nog volop schopjes voel in mijn buik. Ik wil dat ik wakker kan worden. En ik ontken dat ik ziek was, dat ik er ook slecht aan was, dat mijn man bang was dat ik er ook niet doorheen zou komen. Maar soms, sinds het overlijden van Lexie, voel ik ook woede. Woede die ik zelfs na Hailee niet heb gevoeld en ik herken dit ook niet, want ik heb dit nog nooit gevoeld. Ik ben namelijk niet vaak boos. Ik ben amper boos, en kon me eigenlijk geen beeld inbeelden van wat echte woede is, of was. Tot nu. Want eigenlijk ben ik boos op de hele wereld. Ik zie mensen op straat lopen met kinderwagens, en ben boos. Waarom is het hen wel gegund? Waarom mag ik niet achter die kinderwagen lopen? Waarom zij wel, en ik niet? En zelfs de simpele dingen die ik soms zie, zoals iemand die aan het hardlopen is, maakt me boos. Hoe kan diegene zo zorgeloos voor zichzelf zorgen? Het is zijn volste recht, maar het voelt als een onrecht tegenover mijzelf. Want hoe ga ik ooit weer voor mezelf zorgen? Hoe ga ik die draad weer oppakken? De woede die ik voel, voelde ik voor het eerst toen Lexie nog in mijn armen lag, toen we haar moesten laten gaan. Toen ik een gordijntje verder een baby hoorde huilen, en ik alleen maar dacht dat iemand vanaf boven me een dikke middelvinger opstak, om duidelijk te maken 'Ha, zij wel. Jij niet.'. Toen was ik boos. Maar dat wilde ik niet zijn, dus keek ik naar Lexie. Zij kalmeerde mij. Maar toen zij er niet meer was, wilde ik met spullen gooien. Die hele NICU aan gort slaan. De deur kapot maken met een infuuspaal, de computers kapot gooien tegen de muur. Eenmaal thuis liep ik tegen een ventilator aan die naast de deur stond. Het is dat mijn man hem wegpakte en in de hoek van de kamer zette, anders was deze gaan vliegen. Nu ik dit zo typ, herken ik mezelf niet. Ik ben geen boos persoon. Ik ben (of was?) het glas halfvol-type. Ik danste op K3, ook al was ik alleen. Ik huppelde de gangen door, omdat wandelen te saai en simpel is. Waarom voel ik me opeens zo boos? 

Ik had mezelf zo anders gegund. Ik ben vergevingsgezind ingesteld, maar vergeef dit niet. Ik heb niemand om te vergeven, maar ik vergeef het niet. Ik wil gewoon geluk, gezondheid, mijn gezin, hier, op aarde. Ik had mijn armen vol willen hebben met kinderen, mijn huis vol met gelach of gehuil, mijn meisjes hier alle vier, gezond en wel. 

Ondanks dat ik hier nog een dochter heb, waarvoor ik alle Goden dankbaar ben, en ik nog een man naast me heb staan voor wie ik een kogel op zou vangen, voelt het alsof ik niks meer heb. Zij zijn het enige wat mij hier houdt. Het enige waarvoor ik nog door wil gaan. Iemand vroeg me laatst 'Hoe houd je het vol?'. Simpel antwoord: 'Niet. Maar ik moet.'. Ik kan niet opgeven. Ik kan niet stoppen. Ik moet door. Daar heb ik geen keuze in. 

Maar ooit ga ik al mijn meisjes weer terug zien. Ooit ga ik ze weer in mijn armen kunnen sluiten. Ooit ga ik weer compleet zijn. Ooit.

Hailee ✨ 06.04.2021

Rosie ✨ 20.08.2026

Lexie ✨ 28.08.2026 - 04.09.2026

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.