Het knaagt aan me. Elke seconde van de dag, non stop, zonder een enkele pauze. Het voelt als een sluipende moordenaar, die steeds meer omhoog kruipt. En ik praat mezelf aan dat het onterecht is, maar dat stemmetje wint het niet van het gevoel. Het gevoel is duizend maal sterker dan de stem die zegt dat het niet zo is, en die stem die wordt steeds zachter, omdat ik het niet meer kan geloven.
Ik voel me schuldig. Om heel veel redenen, en die ga ik allemaal van me afschrijven en uiteenzetten. Wellicht helpt dat. Ik kan het niet uitspreken, misschien kan ik het wel op papier zetten. Misschien verlaat een deel van het gevoel me via de vingers op het toetsenbord, en misschien ook niet. Maar dan heb ik het geprobeerd. Misschien helpt het uiteenzetten me met inzien dat het niet zo is, misschien ook niet.
Mijn lichaam heeft me vanaf het begin van de zwangerschap van de meisjes al onzeker laten voelen. Net na het nieuws dat er een tweeling in mijn buik groeide, kreeg ik een bloeding. Ik dacht toen dat het een miskraam werd, want ik bloedde alsof het een menstruatie was. Diezelfde avond zagen we op de echo nog twee kloppende hartjes, maar was er ook een groot hematoom zichtbaar, die ik de dag erna verloor. Maar met de baby's bleef het goed gaan. Ze groeiden door, en ondanks bloedverlies wat bijna continu aanwezig was, bleven ze groeien. Met een week of 15 had ik weer een bloeding. Maar weer was er niks aan de hand. Week 17, idem dito. Toen bleef het even rustig, tot week 21. Na een perfecte twintig weken echo, werd er een vliessscheur geconstateerd. Vanaf die dag nam ik het mezelf kwalijk dat ik te vaak abrupte bewegingen heb gemaakt, of te veel van mijn lichaam had gevraagd door een paar keer achter elkaar de vlizotrap te trotseren omdat ik de zolder op aan het ruimen was.
Zelfs in het ziekenhuis nam ik het mezelf kwalijk dat ik daar bleef. We kregen continu de keuze of we naar huis wilden, of dat we wilden blijven als dat fijn voelde. En ondanks dat we daar niemand tot last waren, voelde ik mezelf schuldig dat ik dat bed in beslag nam. Want een ander had dat bed misschien ook nodig. Ik ging twee dagen na de constatering van de vliesscheur naar huis, en heb twee dagen later buiten op een stoel mijn verjaardag nog gevierd. Ik zat continu, ging alleen naar de wc zoals voorgeschreven, dus eigenlijk deed ik praktisch hetzelfde als in het ziekenhuis. Maar die avond kreeg ik krampen. Om de vijf minuten, dus weer naar het ziekenhuis. Waren die krampen er ook geweest als ik in plaats van op de stoel zitten, op de bank had gelegen? Er volgde weer een opname van weer enkele dagen, omdat het niet rustig genoeg bleef en ik me thuis niet veilig voelde. Op woensdag ben ik naar huis gegaan, en zaten we in de avond samen nog de zonsverduistering te kijken alsof er niks aan de hand was.
Vijf dagen later werd ik weer wakker met krampen en heviger bloedverlies. Weer naar het ziekenhuis, en hier weer gebleven omdat het thuis niet goed voelde. Twee dagen later hadden we een gesprek in Maastricht waar we heen zijn gereden, en ik voel me schuldig dat ik daar toen naartoe ben gegaan. Want als ik die autorit niet had gehad, had het dan misschien de bevalling van Rosie niet getriggerd die die avond na terugkomst uit Maastricht begon?
Rosie was geboren, en ik voel me nu schuldig als ik daarop terug kijk over de minuten erna. Heb ik haar wel goed vastgehouden? Heb ik haar wel warm gehouden? Heb ik haar wel genoeg liefde gegeven. De bevalling is voor mij een redelijke puzzel, waarvan ik langzaam de stukjes terug aan het vinden ben. Maar het voelt alsof ik haar te min heb gedaan. Ze heeft continu bij me op de borst gelegen, maar voor mijn gevoel had ik haar steviger vast moeten houden.
Ik voel me schuldig dat ik naar Maastricht ben gegaan die dag. Dat ik bij Rosie weg ben gegaan, en haar in een bak met water achter heb gelaten voor ruim 8u. Dat ik een ambulance nodig had om daar te komen, dat ik daar in een kamer lag en informatie naar mijn hoofd geschoten kreeg waar ik niet om had gevraagd. Dat ik een keuze had gemaakt om de bevalling van Lexie door te zetten, om de risico's voor mezelf en Lexie te verkleinen. Ik voel me schuldig dat ik eraan heb gedacht om haar geboren te laten worden, om haar ook te laten sterven.
Maar die keuze heb ik uiteindelijk niet doorgezet. Ik heb om een second opinion gevraagd, en kwam in het MMC terecht. Dat is iets waar ik me, vooralsnog, niet schuldig over voel. Over het aspect dat ik daarheen ben gebracht en ben opgenomen. Over een hele hoop andere dingen voel ik me zeker weten wel schuldig. En ik kan het niet relativeren, want ik probeer mezelf, ook nu ik dit typ, te laten geloven in dat stemmetje, maar het stemmetje klinkt alsmaar zachter en zachter.
Tijdens mijn opname op de OHC in het MMC kregen we veel aandacht. Mijn man mocht blijven slapen, en ondanks dat partners moeten betalen voor het eten daar, hebben wij geen enkele keer een pinapparaat in onze kamer gezien. Zelfs als we ernaar deden vragen, kregen we te horen dat het wel goed was. Ik voel me schuldig over het feit dat we daar niet voor hebben hoeven te betalen, terwijl een ander dit wel moest. En dan alle lieve verpleegkundigen die zo betrokken waren en altijd de tijd namen voor een praatje, of zich zorgen maakten om onze mentale toestand. Ik weet dat het onderdeel is van hun werk, maar ik had gewild dat ze gewoon binnen kwamen voor enkel een controle of een gezellig praatje, in plaats van een beladen praatje.
In onze dagen op de afdeling, week mijn man amper van mijn zijde. Soms moest hij even naar huis om voor de konijnen te zorgen, of wat nieuwe kleding te halen. En dan liet ik hem dus voor mijn gevoel alleen. Mijn lichaam had gefaald en ik kon er niet voor hem zijn. Ik kon hem niet helpen met dingen, hij moest alles voor me doen en me overal bij helpen. Ik mocht nog naar de wc, maar zelfs met douchen moest hij me helpen. De eerste week was Rosie nog bij ons, en hij verzorgde haar. Hij ververste het water waar ze in lag, maakte haar schoon, en zelfs toen haar lichaam achteruit ging deed hij dit. Toen dat te erg werd, bracht hij haar naar het uitvaartcentrum zodat ze koel kon liggen. Hij is alleen met haar daarheen gegaan. Zonder mij, omdat ik niet mee mocht. Vol emoties en verdriet, zonder dat ik hem een schouder kon bieden om op te huilen.
De nacht dat de bevalling van Lexie begon, bleef hij naast me zitten. Ik kneep elke vijf minuten zijn hand fijn gedurende een uur of acht, en ik werd ziek. Ik kan daar niks aan doen, maar zijn ogen op het moment dat mijn koorts begon, ga ik niet vergeten. De zorgen die dit paar ogen uitte, is een blik die op mijn netvlies gebrand staat. Toen we naar de OK gingen, en hij het bed aan het hoofdeind deed duwen en ik omhoog keek, zag ik niks anders dan angst en wanhoop. Ik heb al vaker een OK van binnen gezien, maar dit was voor hem de eerste keer. Hij bleef continu bij me. Zelfs tijdens de ruggenprik hield ik zijn hand vast, en die liet ik niet los. Hij zat aan het hoofdeind van de operatietafel bij me, en ik bleef zijn ogen zoeken. Er waren wel vijftien paar ogen in de ruimte, maar ik had enkel oog voor die van hem.
Hij hield mijn hand vast tussen het shaken door. Ik was in shock, en kon niet stoppen met shaken. Terwijl ze in mijn andere hand een infuus aan het prikken waren en dit meerdere keren mislukte, hield hij mijn andere hand zo stil mogelijk. Maar die blik, die was er nog. De angst was groter, de wanhoop dichterbij. Toen Lexie werd geboren en het doek omlaag werd gedaan, keek ik even naar Lexie. Ze huilde, zo zachtjes en dat gaf me hoop om door te gaan. Die pijn die ik voel, die shock die ik heb, die is tijdelijk. Lexie is voor altijd.
We werden gedurende het hechten van mij op de hoogte gehouden over Lexie, maar ik had veel pijn. Ik voel me schuldig dat ik niet aandachtiger heb geluisterd naar de kinderarts en de neonatologie verpleegkundige. Ik weet niet meer wat ze precies hebben gezegd, ik probeer het mezelf te herinneren maar het lukt me nog niet.
Na de geboorte van Lexie was ik ziek. Ik heb dat verdrongen, en hoorde pas na dagen van verpleegkundigen en nu pas van mensen om me heen hoe ziek ik eigenlijk was. Het lijkt alsof ik dat niet mocht van mezelf, en ik heb het ook niet bewust meegemaakt. Ik weet dat er stress was omdat mijn bloeddruk niet omhoog wilde, maar zo ziek was ik toch niet? En ondanks dat ik dat niet in de hand heb gehad, voel ik me schuldig dat ik niet naar Lexie kon toen het mocht. En toen het eenmaal mocht, mocht ik er maar even bij, omdat ik te ziek was om lang te blijven. Ik moest nog gemonitord worden en dat kon niet op haar kamer op de NICU. En toen ik haar daar voor het eerst zag, durfde ik amper te kijken. Ik vond het zo'n heftig beeld. Je kon haar amper zien door alle kabels en draadjes. Ze was zo klein. Waarom deed ik dit haar aan?
Die laatste zin spookt heel vaak door mijn hoofd. Vooral nu ze is overleden. Ja, ze heeft ons een week vol liefde gegeven. En wat ben ik dankbaar dat ik haar heb leren kennen als de karaktervolle dame die ze is. Maar waarom heb ik haar dit aangedaan? Ze heeft in elke arm, elke hand, elk been, elk voetje een infuus gehad. En uiteindelijk zelfs een in haar hoofd. Ze hebben zoveel bloed afgenomen dat op de laatste dag eigenlijk een bloedtransfusie nodig was. En dan hebben ze haar ook nog moeten opereren. Heeft ze niet veel te veel pijn gehad? Heeft ze niet onnodig geleden? Had ik haar niet moeten laten gaan met haar zusje Rosie, zodat ze altijd samen konden zijn?
Als ze het had overleeft, had ik anders geschreven. Maar nu, met deze afloop, kan ik niet anders denken dan dat ik wellicht andere keuzes had moeten maken. Dan had ik haar een hoop pijn bespaard voor mijn gevoel. Dan had ik mezelf deze pijn bespaard, zowel fysiek door de keizersnede als mentaal. Dan had ik mijn man deze mentale hel bespaard.
Want ik ga nooit foto's hebben van de meisjes samen. Ik heb foto's van ons met Rosie, ik heb foto's van ons met Lexie. Maar ze hebben elkaar nooit gezien. We hebben ze nooit naast elkaar gezien. Uit herinneringen en foto's haal ik het idee dat ze een twee-eiige tweeling zijn, want ze hebben een andere mimiek. Maar dan nog. Ik had ze zo graag een keer naast elkaar gezien. Dat ze bij elkaar hadden kunnen liggen. Dat ze elkaar nog hadden gevoeld, en dat ze niet alleen waren geweest.
Ik voel me schuldig om alles. En het gaat niet weg. Het ebt niet weg. Het wordt erger. Ik voel me nu ook schuldig, dat ik met andere dingen bezig ben terwijl Lexie naast me op de tafel staat in een mandje. Dat ik mijn gedachten gisteren een paar uur heb gegeven aan het maken van een kaartje. Dat ik naar recepten aan het kijken ben voor wanneer Eef morgen terug komt naar huis en we samen moeten wennen aan het glutenvrije leven. Voor mijn gevoel zou ik de hele dag naar Lexie moeten kijken, en haar kusjes moeten geven. Want nu kan dat nog. En over 48u is ze weg. Dan kan ik geen 'Goeiemorgen liefje' en 'Weltrusten mop' meer tegen haar zeggen. Dan kan ik haar niet meer aaien over haar hoofdje, of even haar handje vasthouden. Nu nog wel. Dus ik moet het nu doen. Die andere dingen kunnen later toch nog?
Mijn hoofd is momenteel een berg vol met puzzelstukjes. Maar geen enkele past in een ander, en er lijken steeds meer puzzelstukjes bij te komen die ik niet aan elkaar krijg. Ik wil zoveel dingen doen, fysiek wil ik rennen, dingen kapot slaan en ik wil vluchten uit deze situatie. Het geld op mijn rekening wordt aantrekkelijk om een tijdelijk verblijf te boeken in een oord ver hier vandaan, niet wetende hoe ik daar stand ga houden, want als ik het hier niet kan, kan ik het elders ook niet. Maar ik kan niet weg. Ik kan niet vluchten. Ik kan mijn hoofd niet uit, en een verandering in uitzicht gaat daar ook niet voor zorgen. Het enige wat ik kan is doorgaan. Misschien op de automatische piloot, terwijl de piloot die eigenlijk aan het stuur zit gedrogeerd is door gevoelens van verdriet, angst, wanhoop en schuld. Maar ik kan niet anders.
Ik doe maar iets nu hoor. Ik heb geen idee of ik het goed doe. Ik denk zelfs niet dat je het goed kunt doen in deze situatie. Je doet het, en that's it. Ik leer mezelf weer opnieuw kennen. Ik leer weer opnieuw de wereld kennen en moet weer aan alles wennen. Een bezoek aan de supermarkt voelt als iets wat ik nog nooit heb gedaan. Het is er druk, het is er vol en ik wil gewoon rust in mijn eigen vertrouwde bubbel. Mijn huis voelt nu als de enige plek die vertrouwd is, en een andere plek wil ik niet heen. Maar vanaf morgen moet ik weer vaker naar buiten. Want morgen komt Eef weer thuis. Dan moet ik ook weer aan haar wennen, want ze is bijna een twee maanden niet thuis geweest. Enkele nachtjes, maar niet langer dan een week. En ik ben blij dat ik haar weer kan zien. Maar dat betekent ook dat ik me sterk moet gaan houden, en dat maakt me bang. Kan ik dat wel? Kan ik wel voor haar zorgen, en weer aan haar wennen, nu mijn hele wereld voor mijn gevoel is ingestort?
Misschien gaat het wel anders zijn dan hoe ik me het nu inbeeld. Wellicht gaat haar aanwezigheid me sneller op de juiste weg helpen. Wanneer ik fysiek hersteld ben wil ik weer met haar naar Toverland, en kan ik weer met haar de achtbaan in. Dan kunnen we samen ook weer leuke dingen doen, en ben ik niet meer gelimiteerd tot de rolstoel of kleine afstanden lopen. Aan het idee dat zij mijn leven kleur geeft, probeer ik me vast te houden. Want zij mag niet gaan lijden onder mijn lijden. Zij is het lichtpuntje wat ik heb en mag houden. Maar dan nog. Ook naar haar voel ik me schuldig. Ze had twee zusjes moeten krijgen, daar had ze zoveel zin in. Ze had zelfs haar kamer opgegeven zodat haar zusjes daar konden slapen. Zij, een kind van 4,5, moet ik nu gaan zeggen dat ze nooit met haar zusjes kan gaan spelen. Dat ze hen nooit zal ontmoeten, en nooit zal kunnen helpen met geven van een flesje, waar ze vol lof over sprak.
Maar ooit wordt het beter. Ik spreek uit ervaring, zo kan ik het helaas stellen. Met Hailee voelde het ook uitzichtloos. Maar uiteindelijk kon ik genieten van een zonnestraal, of van een fijn moment. Maar ondanks dat ik dat weet, voelt het nog steeds uitzichtloos. Het voelt nog steeds alsof ik in een put ben gevallen, en ik het touw bovenaan kan zien, maar er niet bij kan. Er is niemand die dat touw kan laten zakken, het enige wat ik kan doen is mijn rug tegen de ene kant zetten, mijn benen strekken, voeten tegen de muur en omhoog klimmen. En ik ga naar beneden vallen. Niet een keer, niet twee keer, maar meerdere keren. Maar als ik uiteindelijk dat touw te pakken krijg, laat ik het niet meer los. Die put blijft bestaan, en soms zal ik er weer opnieuw ingegooid worden. Maar als ik dan een keer de bodem niet raak, maar ergens in het midden blijf steken, kan ik toch zeggen dat ik niet zo diep gezakt ben zoals een eerdere keer.
Stapje vooruit, stapje terug. Twee stapjes vooruit, drie stapjes terug. Dit proces gaat lang duren. Maanden, jaren. Het wordt vallen, opstaan, huilen, lachen, paniekaanvallen doorstaan, mezelf weer opnieuw leren kennen en leren leven met dit nieuwe verlies. En ik wil het niet. Ik wil niet wennen aan dit leven met dit verlies. Maar ik heb geen keuze. Ik moet.
Reactie plaatsen
Reacties
Lieve Suniva wat heb je dit mooi geschreven wat een verdriet, ik kan zeggen dat je je niet schuldig hoeft te voelen maar dat gaat je niet helpen. Ik wens je heel veel sterkte met alles samen met je lieve man en dochter. Heel veel liefs
Prachtig verwoord lieve Suniva..
Je bent onwijs dapper en sterk! Stapje voor stapje.. klein of groot, elk stapje is er een! 🩷
Geef jezelf de tijd en neem ook de tijd die nodig is!
We denken aan jou, liefs 🌸🩷